De ondernemer is een zogeheten B3-stichting. Begin 2007 schrijft hij een overlevingsstrategie om tot een oplossing te komen voor het grote financiële tekort als gevolg van de functioneel leeftijdsontslag-overgangsregeling en het trendvolgerschap. De minister is bereid B3-stichtingen financieel tegemoet te komen, mits de FLO-overgangsregeling wordt aangepast. Daarna geeft de ondernemer in een adviesaanvraag aan dat slechts de oplossingsrichting resteert die de minister aanbiedt. Partijen komen daar niet uit en tijdens een zitting van de Ondernemingskamer (OK) zegt de ondernemer toe dat de or adviesrecht krijgt over het op te stellen Financieel Maatwerk Plan (FMWP). In dit adviestraject heeft hij de or adviesrecht toegezegd als mocht blijken dat het FMWP bijstelling behoeft. In een e-mail van 12 september 2008 informeert de ondernemer de or dat het ministerie en de B3-instellingen concrete afspraken hebben gemaakt over financiering van de overgangsregeling. De or is op 10 oktober 2008 bij de OK opgekomen tegen dit besluit.
Ondernemingskamer
Volgens de OK heeft de ondernemer duidelijk gemaakt dat de bezwaren van de or onvoldoende grondslag hebben. Uit de voorbereiding van het besluit en de uitwerking blijkt genoegzaam dat de ondernemer niet kan worden verweten dat zijn (voorgenomen) besluit onvoldoende duidelijk is. De OK oordeelt dat de or ontvankelijk is in zijn verzoek. Noch een telefonische mededeling aan de or-voorzitter, noch het overleg met de bonden kan worden aangemerkt als het schriftelijk in kennis stellen als bedoeld in art. 25, lid 5 WOR.
De or heeft volgens de OK voldoende aannemelijk gemaakt dat het besluit afwijkt van het FMWP, ook al gaat het wellicht om details. De ondernemer was dan ook gehouden zijn voornemen om de afspraken met de minister te maken voor advies voor te leggen aan de or. Het adviesrecht heeft de strekking een oordeel te kunnen geven over de definitieve vormgeving van de financiering van de FLO-overgangsregeling. Anderzijds heeft de ondernemer voldoende aannemelijk gemaakt dat het akkoord met de minister slechts geringe verschillen kent met het FMWP.
De ondernemer heeft betoogd dat snel moest worden gehandeld door druk van vakbonden. Daarom vindt de OK dat de ondernemer in materiële zin bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid kon komen tot dit besluit.
Commentaar
In het algemeen moet een ondernemer de toezegging dat hij advies zal vragen nakomen. Maar gezien het feit dat in dit geval de nodige externe partijen bij de besluitvorming betrokken zijn (minister, vakbonden en andere stichtingen) is er sprake van een complexe overlegsituatie onder een hoge tijdsdruk. Omdat er feitelijk slechts sprake was van geringe wijzigingen in het besluit, geeft de OK de or inhoudelijk geen gelijk. Het besluit hoeft niet te worden ingetrokken. De procedure verdient niet de schoonheidsprijs, maar met die constatering moet de or het doen.
OK 2 februari 2009/ ARO 2009/42 Or Stichting Ambulance Oost.
Meer interessante en relevante jurisprudentie vindt u in Rechtspraak voor Medezeggenschap.












