Als Hans Kromhout in gesprek zou raken met jonge arbeidshygiënisten, gaf hij ze twee adviezen. Allereerst zou hij pleiten voor samenwerking met andere kerndeskundigen, vooral de bedrijfsarts. "Wil je de stap maken van reactief verzuimbeleid naar daadwerkelijke preventie? Wacht dan niet af tot je gebeld wordt, maar zoek die bedrijfsarts zelf op. Alleen zo kun je de harde data van de werkvloer koppelen aan medische signalen uit de spreekkamer. Leidt die blootstelling aan een bepaalde stof inderdaad tot meer klachten en verzuim?"
Als tweede zou hij adviseren om meer te meten. Want die harde data krijg je alleen naar boven door metingen uit te voeren. Volgens Kromhout gebeurt dat tegenwoordig veel te weinig. "Echt een zorgwekkende ontwikkeling. Vroeger gingen arbeidshygiënisten de fabriek in met hun meetapparatuur, nu blijven ze vaak achter hun bureau zitten. Ze baseren zich op papieren modellen en schattingen. Maar een model is geen zekerheid. Als je niet meet, weet je niet hoe effectief je beheersmaatregelen werkelijk zijn."
Gebrek aan harde meetgegevens
Dat gebrek aan harde meetgegevens is volgens Kromhout symptomatisch voor de staat van de Nederlandse arbeidshygiëne. "Wat ontbreekt in Nederland is een registratie van werknemers die worden blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen. In Duitsland staan die carcinogenen allemaal in een MEGA-database, gebaseerd op miljoenen metingen. Ook in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk haal je die data moeiteloos naar boven. Maar in Nederland ontbreekt die kennis volledig; wij beschikken niet over een databank met meetgegevens."
Geen wonder, zegt hij. "Dit is een direct gevolg van de politieke keuzes uit de jaren 90. Toen liet de overheid de verantwoordelijkheid voor arbeidsomstandigheden aan de industrie: ‘We gaan niet met het opgeheven vingertje de fabrieken in, maar we kiezen voor zelfregulering: jullie lossen het samen wel op'. Daardoor is bijvoorbeeld zo'n centrale database met meetgegevens er nooit gekomen."
Grote verschillen tussen bedrijfstakken
'We lossen het samen wel op': dat credo heeft volgens Kromhout ook geleid tot grote verschillen tussen afzonderlijke bedrijven en bedrijfstakken. "Natuurlijk zijn er positieve gevallen", zegt hij. "Ik heb bijvoorbeeld veel gewerkt met autoproducent DAF in Eindhoven. Medewerkers stonden daar bloot aan lasrook en de directie was daar oprecht bezorgd over. Ze hebben alles gedaan om die blootstelling omlaag te krijgen, van gerichte ventilatie tot robotisering."
Maar aan de andere kant van het spectrum ziet hij de Nederlandse metaalindustrie. "Ik heb weleens geprobeerd om daarmee samen te werken, maar dat was altijd erg lastig. Daar zijn mensen vooral gericht op vertragen. Op het gebied van lasrook willen ze vooral geen nieuwe normen en zoeken ze hun heil in de Verbetercheck Lasrook van 5xbeter. Daardoor ligt de nadruk niet op concrete metingen. Niemand weet op dit moment hoeveel Nederlandse werknemers aan lasrook worden blootgesteld en aan welke concentraties."
Chroom-6-schandaal
Dergelijke verschillen zag je volgens hem ook bij het bekende chroom-6-schandaal. "Zo'n 10 jaar geleden kwam dat aan het licht. Bij het tROM project in Tilburg werden bijstandsgerechtigden ingezet om in het kader van een re-integratieproject oude museumtreinen te schuren. Vervolgens bleek dat ze daardoor werden blootgesteld aan het giftige chroom-6."
"Ook hier zag je een combinatie van goede bedoelingen en het opzettelijk negeren van feiten. De betrokken wethouder had bijvoorbeeld heel nobele ideeën, maar wist niks van chroom-6. De plaatselijke NS-leiding op het terrein waar de werkzaamheden plaatsvonden had die kennis wel. Daar trok zelfs iemand aan de bel, maar die hebben ze vervolgens weggepromoveerd. Dat was echt een schandaal."
Parallel trekken met buitenland
De situatie in Nederland is dus niet 100% ideaal, maar hoe staan we ervoor in vergelijking met het buitenland? Kromhout kan een goede parallel trekken met Rusland, waar hij heeft meegewerkt aan een groot onderzoek naar asbest.
"In Rusland beschikken ze nog steeds over een actieve asbestmijn, iets wat in Nederland ondenkbaar is. Omdat Rusland lid werd van het IARC (het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek), vond er een grootschalig internationaal epidemiologisch onderzoek plaats onder de werknemers van de mijn en de verwerkingsfabrieken. De Russen beweerden altijd dat het witte asbest waar die mensen mee werkten niet zo gevaarlijk was. 'Als je dat maar veilig gebruikt, krijg je er niets van.' Uiteraard bleek dat heel anders te liggen, en dat hebben we ook aangetoond."
De Russische paradox
Voor dat aantonen van de risico's van asbest was de Russische werknemerspopulatie aan de ene kant heel geschikt, maar aan de andere kant ook niet.
"Wat die populatie heel geschikt maakte, was de samenstelling van de groep werknemers. In tegenstelling tot westerse studies ging het hier voor 40% om vrouwen. En heel belangrijk: vrouwen die niet rookten. Dat leidde natuurlijk tot een zuivere meting, want eventuele longklachten kun je met meer zekerheid koppelen aan die asbest."
"Aan de andere kant werden de resultaten vertroebeld door de lage levensverwachting bij de mannen. Die stierven vooral door externe oorzaken. Als jij op je vijftigste dronken van de wodka in de sneeuw in slaap valt en niet meer wakker wordt, krijg je ook geen mesothelioom."
Ondanks die ruwe omstandigheden hadden de Russen één ding wél perfect op orde: de documentatie. "Dat kun je de Russen nageven", zegt Kromhout. "Als ze iets doen, doen ze het systematisch. Er lagen daar honderdduizenden metingen klaar, jaar in jaar uit verricht met dezelfde apparatuur, waardoor je trends kon volgen over een periode van 60 jaar. Ja, het is een wrange paradox: het gif wordt daar nog steeds gedolven, maar vergeleken met ons land is de monitoring superieur."
Ander punt van zorg: de vergrijzing
Naast het gebrek aan meetgegevens is er nog iets dat Kromhout zorgen baart: de vergrijzing. "Ik ben vorige week met pensioen gegaan en dat zie je nu ook gebeuren met de hele generatie die we ooit in Wageningen hebben opgeleid. Bovendien stroomt er steeds minder academisch opgeleide aanwas in. Waar Nederland in de jaren 80 en 90 vooropliep met die stevige academische opleiding Arbeidshygiëne, is die bron nu bijna opgedroogd."
Een kwalijke zaak, zegt Kromhout, want de Nederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne drijft van oudsher op een mix van praktijkmensen en academici, en die balans is nu zoekgeraakt. "Juist in complexe dossiers, waar je moet samenwerken met epidemiologen en artsen en waar je patronen in beroepsziektes wilt herkennen, is dat academische denkniveau onmisbaar. Hiervoor moet je verstand hebben van hoe blootstellingen variëren in de tijd en tussen groepen."
"Daarom pleit ik in mijn afscheidsrede voor een postdoctorale academische opleiding en het behoud van de leerstoel Arbeidshygiëne. Het zou jammer zijn als ik de enige ben geweest die die heeft bezet."

Lees ook
Lexces onderzoekt preventie stoffengerelateerde beroepsziekten voor en met arboprofessionalsData van jaren dreigen verloren te gaan
Terug naar het probleem waarmee we begonnen: het gebrek aan data en documentatie. Want volgens Kromhout valt daar wel wat aan te doen. "Ik heb zelf een archief liggen met zo'n 300 verslagen, met tonnen aan meetgegevens uit de periode 1975-2000. Helaas was dat ook de tijd waarin er nog nauwelijks digitaal werd gewerkt, dus we hebben het hier over 50.000 papieren pagina's."
Hier is al een flink archief van te maken, maar tot nu toe liepen Kromhouts pogingen daartoe dood. "Ik heb geprobeerd subsidies te krijgen om dat allemaal te digitaliseren. Maar dat strandde op het feit dat ik geen actieve samenwerking meer had met de arbodiensten van toen – terwijl ik precies van hen die data heb. Onbegrijpelijk, want 50.000 pagina's digitaliseren kost hoogstens een paar duizend euro."
"En nogmaals, ik ben niet de enige die dit decennium met pensioen gaat. Al die collega's ruimen dadelijk hun kasten op en de informatie die ze door de jaren heen hebben vergaard, gaat allemaal verloren. Dat moeten we natuurlijk tot iedere prijs voorkomen."
Arbeidsrisico's verhuizen naar buitenland
Ten slotte moet hem nog een ding van het hart: we hebben in Nederland een groot deel van onze arbeidsrisico's geëxporteerd naar het buitenland. "Veel van onze productie sluizen we nu door naar lagelonenlanden, en de risico's verhuizen mee. Pesticiden die in Europa allang verboden zijn vanwege de gezondheidsrisico's, zijn nog volop in gebruik in Afrikaanse landen."
"Omdat dat spul vaak wordt geproduceerd in India of China, is de bijbehorende handleiding opgesteld in het Hindi of Mandarijn. Dat kunnen de werknemers in Tanzania of Kenia helemaal niet lezen. Daar gaat het vervolgens vreselijk mis. Het gezondheidsrisico is dus niet weg, het is alleen ver van ons bed."















