‘Als bank wil je betrokken zijn bij de samenleving’, legt Karim El-Khetabi, accountmanager Bedrij¬ven bij de Rabobank in Rotterdam uit, ‘en dat kan alleen als je daar een afspiegeling van hebt in je personeelsbestand. Circa 30 procent van ons personeelsbestand is allochtoon; vijf jaar geleden zaten we nog op 5 procent. Onze filialen hebben historisch gezien een plattelandskarakter. We hebben een inhaalslag gemaakt.’ Alma Musinovic-Mansour is marketingadviseur en or-lid van de Rotterdamse Rabobank. ‘Onze bank groeide heel hard en allochtonen studeren steeds vaker. Omdat we meer diversiteit wilden, lieten we de Turkse of de Chinese collega die bij ons werkten daarover in campagnes aan het woord. Daarmee verlaagden we de drempel voor allochtonen. In de top ontbreekt het nog aan allochtonen en vrouwen.’
El-Khetabi kijkt peinzend. ‘Je kunt je als bank openstellen voor diversiteit in alle geledingen, maar dan moeten die groepen zich ook aanmelden. Uiteindelijk selecteert een werkgever je op vaardigheden en motivatie. De groep allochtonen die in aanmerking komt voor het topmanagement en directieniveau is nog maar klein. Als kind van een gastarbeider kom je uit een achterstandspositie. In de directie zitten ervaren mensen die hun sporen hebben verdiend. De talentvolle Marokkaan of Surinamer die afstudeert aan de universiteit, wordt niet automatisch directeur van een grote onderneming.’ Hij benadrukt dat hij zich geen culturele minderheid voelt op de werkvloer. ‘Inmiddels is bij ons de samenwerking tussen verschillende culturen dagelijkse kost en in de or vertegenwoordig ik evenredig alle collega’s.’ Toch kan hij zich voorstellen dat hij fungeert als rolmodel voor net afgestudeerde allochtonen. ‘Ik sta niet onderaan de ladder. Ik heb een net pak aan en een vlotte babbel.’
Yasser Chahed, accountmanager Zakelijke Relaties bij de Rabobank in Tilburg, vertelt dat hij zich drie jaar geleden kandidaat heeft gesteld voor de or uit betrokkenheid bij de bank. Chahed werd bij zijn keuze voor het or-lidmaatschap gedreven door nieuwsgierigheid. ‘Door het or-werk leer je een organisatie van binnenuit heel goed kennen. Ik kijk nu anders aan tegen hoe beslissingen genomen worden. Als or-lid kan ik niet uitsluitend denken vanuit het belang van de werknemers. Want als de bank er niet meer is, zijn wij onze banen kwijt.’
Door mee te denken en mee te praten in de or hebben de drie nog meer zelfvertrouwen opgebouwd. Ze durven zich te roeren in discussies en bij de achterban niet direct populaire standpunten in te nemen. ‘Doordat je de materie goed tot je neemt, accepteert men je als een volwaardige gesprekspartner. En als iemand tegen je zegt dat je het goed doet, dan denk je: potverdorie, ik kan dit. Dat voelt goed. Voor de Turk, de Nederlander, voor iedereen.’













